Zoeken in deze blog

maandag 3 april 2017

Verleden of tegenwoordige tijd

Er zijn twee tijdsvormen waar je in kunt schrijven; tegenwoordige tijd of verleden tijd.
De huidige trend onder schrijvers is de tegenwoordige tijd. Het heeft als voordeel dat alles zich meteen afspeelt en dat het lijkt alsof de schrijver ook nog niet weet hoe het verhaal gaat aflopen. Alles is mogelijk. Het leest veel spannender en de wijze van vertellen is veel meer opwindend dan de verleden tijd.
Tara loopt haastig naar huis. Het gevoel dat er iets mis is blijft door haar gedachten krioelen en laat haar maar niet los. Eigenlijk wil ze rennen, maar ze is bang dat ze voor gek staat als er niets aan de hand blijkt te zijn. Want waarom zou er iets zijn? Er was vanochtend nog niets met haar moeder aan de hand, dus waarom zou dat nu anders zijn? Ze grijpt naar de klink van de poort en loopt sneller de achtertuin in dan dat ze de deur opendoet. Stilletjes vloekend wrijft ze over haar pijnlijke schouder. Het had erger kunnen zijn; ze is ooit met haar neus tegen het hout aan gelopen. Ze beent door de achtertuin en stopt pal voor het raam. Het is een zonnige dag, dus door de weerspiegeling van het licht kan ze bijna niet naar binnen kijken. Ze houdt haar hand plat boven haar ogen en drukt haar neus tegen het achterraam. Eerst denkt ze niets waar te nemen, maar dan ziet ze het. Naast de schommelstoel van oma liggen twee voeten op de grond. Ernaast ligt een paar schoenen. Ze herkent ze meteen; het zijn die van haar moeder.
Het gebruik van de verleden tijd is ook prima. Het komt echter meer over alsof alles achteraf verteld wordt en de afloop dus al vastligt. De wijze van vertellen is door gebruik te maken van de verleden tijd veel passiever.
Tara liep haastig naar huis. Het gevoel dat er iets mis was bleef door haar gedachten krioelen en liet haar maar niet los. Eigenlijk wilde ze rennen, maar ze was bang dat ze voor gek zou staan als er niets aan de hand zou blijken te zijn. Want waarom zou er iets zijn? Er was vanochtend nog niets met haar moeder aan de hand, dus waarom zou dat nu anders zijn? Ze greep naar de klink van de poort en liep sneller de achtertuin in dan dat ze de deur opendeed. Stilletjes vloekend wreef ze over haar pijnlijke schouder. Het had erger kunnen zijn; ze was ooit met haar neus tegen het hout aan gelopen. Ze beende door de achtertuin en stopte pal voor het raam. Het was een zonnige dag, dus door de weerspiegeling van het licht kon ze bijna niet naar binnen kijken. Ze hield haar hand plat boven haar ogen en drukte haar neus tegen het achterraam. Eerst dacht ze niets waar te nemen, maar toen zag ze het. Naast de schommelstoel van oma lagen twee voeten op de grond. Ernaast lag een paar schoenen. Ze herkende ze meteen; het waren die van haar moeder.
Deze vertelvormen hebben enkel invloed op de (meeste) actie en gebeurtenissen van je verhaal. Je dialogen vallen hier nooit onder. Die blijven in de tijdsvorm die van toepassing is op het gesprek! En als je iets beschrijft wat in het verleden is gebeurd, dan gebruik je nog steeds de verleden tijd, ook al is de rest in de tegenwoordige tijd. Dit kun je zien in het eerste voorbeeld van dit hoofdstuk. Nog even een voorbeeldje met dialoog:
"Denkt u dat ze het redt?" vraagt Tara gespannen aan de ambulance broeder.
De man gaat onverstoord verder met zijn werk, maar doet zijn best om de geschrokken tiener gerust te stellen: "Het is nog te vroeg om te zeggen. We waren er gelukkig vrij snel bij. Je deed er goed aan om meteen het alarmnummer te bellen."
Tara stapt achter hem de ambulance in. "Ze is alles wat ik nog heb. Ik heb verder geen familie. Geen ooms, tantes, oma's of opa's. Ze moet het halen! Ze moet!"
En nog even in de verleden tijd:
"Denkt u dat ze het redt?" vroeg Tara gespannen aan de ambulance broeder.
De man ging onverstoord verder met zijn werk, maar deed zijn best om de geschrokken tiener gerust te stellen: "Het is nog te vroeg om te zeggen. We waren er gelukkig vrij snel bij. Je deed er goed aan om meteen het alarmnummer te bellen."
Tara stapte achter hem de ambulance in. "Ze is alles wat ik nog heb. Ik heb verder geen familie. Geen ooms, tantes, oma's of opa's. Ze moet het halen! Ze moet!"
Uiteindelijk blijft het kiezen van deze vorm onderhevig aan eigen voorkeur. Geen van beide is fout en beide methoden hebben voor- en nadelen. Uiteraard is het ook mogelijk om beide vormen tegelijk in hetzelfde boek te gebruiken. Zo kun je bijvoorbeeld het hele boek in de tegenwoordige tijd schrijven, maar flashbacks in de verleden tijd. Je kunt het ook gebruiken om twee hoofdpersonages die elkaar niet tegen komen, maar elkaar wel beïnvloeden te scheiden; bijvoorbeeld als hoofdpersonage 1 in de jaren 20 van de vorige eeuw leefde en hoofdpersonage 2 in de jaren twintig van deze eeuw.
Schrijven is en blijft weten welke regels je moet toepassen en wanneer je ze genadeloos moet doorbreken.

Tip: schrijf eens iets in een andere tijdsvorm dan je normaliter doet. Het is een goede vingeroefening en houdt je scherp. Je leert er waarschijnlijk ook wat van en wellicht blijkt zelfs dat je het prettiger vind schrijven dan je had gedacht!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen